HET SKUTSJE, VAN BRON VAN INKOMSTEN NAAR VOLKSVERMAAK.

Het jaarlijks terugkerende skûtsjesilen heeft in de loop der tijd steeds meer aan bekendheid gewonnen, zowel binnen als buiten Friesland. Minder bekend is echter dat de zeilende binnenvaart zijn opkomst voor een groot deel heeft te danken aan de turfwinning, in de Groninger en Drentse Veenkolonin, vanaf het einde van de 16de eeuw. 

De turfwinning betekende de definitieve uitbreiding van de landbouw - de afgegraven gebieden werden hiervoor geschikt gemaakt - en van de daarmee samenhangende industrie. De turf moest uiteraard worden afgevoerd van de winningsplaatsen, waardoor de scheepvaart opbloeide en kanalenstelsels meer en meer werden uitgebreid.

Men vervoerde de turf naar heinde en verre, middels pramen, bokken, aken en, last but not least, de Friese skûtsjes. Vooral tegen de winter haalden de Friese schippers turf uit Drenthe waarna het schip meestal werd opgelegd om de vorstperiode af te wachten. De route die de Friezen volgden staat heden ten dage nog steeds bekend als de Turfroute, die bij veel waterrecreanten in trek is.

De schipper was toendertijd tevens handelaar. Hij kocht de turf in het veengebied en bracht die vervolgens in het eigen dorp aan de man. Het het inschatten van de kwaliteit en de prijs van zijn handel was de eerste winst die hij maakte. In de jaren dertig van deze eeuw werd het vrachtvervoer gereguleerd door de schippersbeurs, als noodmaatregel om een eerlijke verdeling van de vracht te garanderen. Deze maatregel, de Wet op de Evenredige Vrachtverdeling, is echter tot op de dag van vandaag van kracht gebleven.

Hoewel de Veenkoloniën een enorme impuls betekenden voor de scheepvaart, vervoerde men daarnaast allerlei soorten lading. Zoals bijvoorbeeld koemest voor de bollenvelden in Holland. De jaarlijks weerkerende "strontrace", van Friesland naar Holland, doet wat dat betreft oude tijden herleven. Maar ook de vruchtbare aarde van de Friese terpen was goede handel. Later kwamen daar nog bieten en aardappels bij en begin deze eeuw werden zelfs mosselen vervoerd.

Het schippersgezin had een vrij leven aan boord van een skûtsje. En er zullen maar weinigen zijn geweest die dat vrije leven hadden willen ruilen voor een vaste baan aan de wal. Dat het voor veel schippers echter een hard en armoedig bestaan was, mag duidelijk zijn. In de winterperiode kon niet worden gevaren en wanneer het dan zomer was werkte men vaak dag en nacht door. Het hele gezin hielp mee. Oud-schippers kan men bijvoorbeeld nog horen vertellen over de route naar Drenthe. Door de hoge wal en de bomenrijen ving het zeil vaak zo weinig wind dat het skûtsje over grote delen van het traject handmatig moest worden voortgetrokken over het jaagpad. Ook vrouwen en kinderen ontkwamen niet aan dit beulswerk. Er waren wel beroepsscheepsjagers, die tegen betaling hun paard in het trekzeel spanden, maar de kosten waren voor veel schippers niet op te brengen. Trouwens, wanneer zo'n scheepsjager in een haven al die kleine klompjes op de wal naast een skûtsje zag staan, wist hij al hoe laat het was.

Naast alle ontberingen heeft het leven aan boord van een skûtsje ook wel zijn goede momenten gekend. In het grijze verleden reeds werd het competitie-element tussen de schippers door plaatselijke kasteleins aangegrepen om wedstrijden uit te schrijven, waaraan geldprijzen waren verbonden. De schippers die er de tijd voor konden vinden lieten have en goed (inclusief vrouw en kinderen) achter op de walkant en bonden de strijd aan met de elementen. Talrijk zijn de overleveringen en sterke verhalen. Wordt tegenwoordig het jachtgeweer alleen gebruikt om het startsein te geven, in die tijd scheen het niet ongebruikelijk te zijn dat de schipper zelf met een dergelijk apparaat aan de start verscheen. Kwam een ander skûtsje gevaarlijk dicht in de buurt, dan kon de tegenstander op adequate wijze de wind uit de zeilen worden genomen middels een schot hagel. Wel wat anders dan de protestvlaggen van tegenwoordig.

Door de opkomst van het gemotoriseerd vervoer over de weg, begin deze eeuw, werd het leven voor de zeilende binnenschippers steeds moeilijker. In de jaren dertig raakte bovendien de turf als huisbrandstof steeds meer uit de gratie. De fabrieksturf hield het nog vol tot in de jaren vijftig, maar toen viel dan ook definitief het doek voor de turfvaart. In de Tweede Wereldoorlog maakte de zeilende binnenvaart een korte opleving door in verband met het heersende brandstofgebrek. Daarna volgde echter de onverbiddelijke teloorgang van een manier van leven waarmee vele generaties hun brood hebben verdiend.

Artikel van Schoenmaker Multimedia BV - Sneek

Pagina :573

© Copyright 1998 - 2009
Kaldenhoven EDV & TK Beratung - Wij zijn niet aansprakelijk voor de op dit Domein verstrekte informatie